Niet alleen om die ballon

Soms wijs ik mezelf alvast af namens de ander.

“Waarom wil niemand even een seconde de tijd nemen om een stift voor me te pakken? Waarom mag zij dat wel en ik niet? Zij pikt mijn ballon.”

Mijn kleindochter is ontzettend boos. Haar ballon ligt gewoon naast haar.

Ze kijkt me kwaad aan. Het voelt alsof ik alles voor haar moet oplossen. Ik voel boosheid opkomen. Wie is zij om mij verantwoordelijk te maken voor haar gevoelens?

En dan denk ik meteen aan mijn dochter. Wat vindt zij ervan als ik boos word op haar kleine meisje? Vindt ze mij een slechte oma? Is ze straks nog wel blij als ik kom?

Ik zeg niets. Ik houd me in. Maar vanbinnen hoor ik: zeur niet zo. Dop je eigen boontjes. Je bent vervelend.

Alsof ik niet iets vervelends doe, maar zelf vervelend ben.

En daar staat zij. Een klein meisje dat boos is omdat niemand even een seconde de tijd neemt voor een stift. Ik weet dat ze boos mag zijn. Ik geloof in positieve bekrachtiging. Maar op dat moment weet ik niet wat ik met haar boosheid aan moet. Ik wil haar helpen en tegelijk wil ik dat het ophoudt.

Waarom kan ik haar niet gewoon boos laten zijn? Wat leg ik op haar, wat ooit op mij is gelegd?

Ik ben het allemaal: het boze kind, het dansende kind, de zeurende ouder, de liefhebbende oma.

← Halus en Kasar